Opzet en aandachtspunten

 

 

De mens is een vertellend wezen, hij doet niet anders. Loop maar eens het eerste het beste café, verjaardagsfeestje, borrel of overblijflokaal binnen. Kijk om je heen en luister. Overal zijn kinderen of volwassenen elkaar verhalen aan het vertellen.

Het is dan ook de bedoeling om zo dicht mogelijk bij het ‘natuurlijke vertellen te blijven. Denk maar eens aan die spreker waar je (soms plotseling) geboeid naar ging luisteren omdat hij of zij vanuit ‘het hart’ ging vertellen. Denk maar eens aan hoe een kind soms vervoerend kan (na)vertellen over wat het heeft meegemaakt of gezien.

We starten bij ‘vertellen in de klas’ dan ook met navertellen in eigen woorden. De geschreven tekst wordt zo snel mogelijk aan de kant gelegd zodat de eigen formulering kan beginnen en het kind woordkunstenaar wordt.

De opzet is simpel lees verhalen, kies er één uit om te vertellen, maak een verhaalplattegrond, doe de tekst weg en vertel in je eigen woorden (eventueel aan de hand van de plattegrond) het verhaal.

 

Uitvoering

 

(Mogelijke) fasen in het project

  1. Lezen van de verhalen
  2. Uitkiezen van een verhaal
  3. Maken van een verhaal-plattegrond en leren van het verhaal
  4. Leren vertellen, feedback en coaching ontvangen, het spelen van vertelspelletjes (zie bijlage 2)
  5. Vertellen voor anderen (in de eigen klas en daarbuiten)

 

 

Uitkiezen van een verhaal

 

  • Laat de kinderen een verhaal kiezen dat ze echt aanspreekt
  • Kinderen kennen hun eigen mogelijkheden m.b.t. vertellen (nog) niet.
  • De eerste keer moet een succes zijn om een vervolg mogelijk te maken

 

Eenvoud is essentieel

  • Eenvoudige plot
  • Beperkt aantal personages
  • Eenvoudig taalgebruik

 

Volksverhalen, verhalen uit de orale traditie, zijn de beste keus voor begin.

 

Korte verhalen

  • Max. 3 minuten verteltijd voor de beginners
  • Max. 5 minuten voor degenen die het goed doen
  • Max. 10 minuten voor de allerbesten

 

  • Zorg voor binding met het verhaal. Mooi uitgevoerd, zodat het iets waardevols wordt. Dat werkt beter dan een slordig kopietje.
  • Vergis je niet in de complexiteit van een ‘eenvoudig’ prentenboek.
  • Gepubliceerde volksverhalen zijn vaak veel te lang en hebben een taalgebruik dat zich niet leent om te vertellen.
  • De passieve woordenschat is veel groter dan actieve woordenschat
  • Kinderen hebben geen idee wat een verhaal geschikt maakt om te vertellen.
  • Zorg voor veel verhalen zodat ieder kind een eigen verhaal heeft. Kinderen hebben toch de neiging de ene verteller te gaan vergelijken met de andere. Die competitiesfeer is niet wenselijk in een vertelproject. Het beste is dus om ieder kind een eigen verhaal te laten kiezen.

 

Sociale vaardigheden spelen gedurende het gehele project een belangrijke rol. Aan het eind van het project kunnen de leerlingen optreden voor een groter publiek van lagere klassen, familieleden en belangstellenden.

 

Het onderricht in spreekvaardigheid bestaat vaak hoofdzakelijk uit het houden van en luisteren naar spreekbeurten en het geven van (meestal inhoudelijk) commentaar daarop.

Ook is er (veel) aandacht voor de landelijk georganiseerde voorleeswedstrijden. Zou het niet wenselijk zijn dat er evenveel aandacht ontstaat voor vertellen in je eigen woorden.

'Vertellen' is elke vorm van mondeling taalgebruik met als doel een verhaal(tje) over te dragen aan de ander (dus ook: moppen, roddels, rappen e.a.). Vertellen is de belangrijkste communicatieve strategie van dit project. Leerlingen maken kennis met aspecten als: de luisteraar activeren, vermaken, overtuigen, zich durven uiten, actief deelnemen, stijl hebben, afstemmen op het publiek.

Het project 'vertellen in de klas' zou zelfs afgerond kunnen worden met een vertelfestival voor ouders, grootouders, familieleden, vrienden en vriendinnen, leerkrachten. Elke klas verzorgt zijn optreden in het eigen lokaal. Behalve de vijfentwintig à dertig leerlingen zijn er dan veertig tot zeventig toeschouwers per klas.

Taal wordt in de eerste plaats mondeling overgedragen en geleerd. Vooral leerlingen voor wie de schooltaal verschilt van de thuistaal, zijn gebaat bij de mondelinge kennismaking met en oefening in die 'nieuwe' taal.

Leerlingen krijgen aanwijzingen om hun taalgebruik te verbeteren. Zij vergroten hun woordenschat door woorden te kiezen die beter passen bij het onderwerp. Ook leren zij nieuwe woorden uit de verhalen van andere leerlingen. Zij maken verbanden binnen de tekst duidelijk via relatiewoorden en leren hun taalgebruik afstemmen op het doelpubliek.

 

Spreken in het openbaar

Leerlingen leren een verhaal te vertellen, in tweetallen en in groepjes, maar ook staand vóór de klas. Zij moeten de aandacht vasthouden en letten op de belangrijke aspecten van het spreken, zoals uitspraak en verstaanbaarheid, melodie en klemtoon. Zelfs leerlingen die moeite hebben met spreken - dus ook de enkeling die stottert - doen mee.

 

Een verhaal (na) vertellen

Leerlingen leren hoe een verhaal is opgebouwd Dat is overdraagbaar naar de steloefeningen: de (logische) opbouw van een tekst, het belang van een goede titel, de inhoud van de eerste en de laatste zin, de rode draad in het verhaal en het perspectief enz.

 

Anderstaligen sneller helpen

Leerlingen die thuis een andere taal of een dialect spreken, zijn dankzij de vertellessen beter en eerder in staat aan te geven waarmee zij problemen hebben. Zij kunnen als gevolg daarvan ook sneller worden geholpen.

 

Literatuur en lezen promoten

Vertellen brengt de leerlingen in contact met de mondelinge literatuur. Het kan gebruikt worden als een inleiding op de jeugdliteratuur en de literatuur. Doordat de leerkracht cultuur in de breedste zin van het woord en de mondelinge literatuur in het bijzonder dichter bij de leerlingen brengt, zullen leerlingen meer belangstelling krijgen om verhalen te lezen. Wat zij in de vertellessen hebben geleerd, kunnen zij steeds opnieuw gebruiken.

 

Vakoverstijgend werken

Leerlingen kunnen worden aangemoedigd om bij bijvoorbeeld geschiedenis en aardrijkskunde iets te vertellen over wat ze hebben begrepen, gelezen of vanuit hun eigen achtergrond. Er zijn zelfs voorbeelden waarbij leerkrachten verhalen en vertellen gebruiken in de rekenles. De vaardigheden die bij het vertellen aan de orde komen, zijn ook van belang voor alle vakken: uit het hoofd leren, aantekeningen maken, plannen, problemen oplossen, eigen kunnen en prestaties beoordelen.

 

Verschillen vormen een verrijking

Leerlingen ervaren dat verschillen tussen mensen normaal zijn, maar ook dat die verschillen iets kunnen toevoegen aan hun eigen leven. Doordat iedereen op zijn eigen manier vertelt, ontdekken de leerlingen ook dat zij gelijken zijn en accepteren zij hun verschillen als vanzelfsprekend. Dit kan de sfeer in de klas duidelijk ten goede komen. Het vertelproject is dus sterk intercultureel. Niet het ontdekken van de Nederlandse, Indonesische, Surinaamse, Antilliaanse, Chinese, Turkse of Marokkaanse cultuur staat voorop, maar leren omgaan met verschillen tussen mensen. Vertellen en luisteren hebben alles te maken met het begrijpen van de wereld om ons heen. In de westerse maatschappij beheersen echter nog maar weinig mensen de kunst over die wereld te vertellen. Het antwoord op de vraag ‘Hoe te leven?’ wordt in onze samenleving gegeven door godsdienst, filosofie, politiek, kunst, psychologie en wetenschap. Maar uit ons mondiale culturele erfgoed: de verhalen van verschillende volken en culturen blijkt hoezeer wij nog steeds dat vertellen nodig hebben om betekenis te geven aan wat om ons heen gebeurt.